Januari 2000, Matthieu Vincenten, homepage http://go.to/nesher

 

 

De oorsprong van de moraal volgens Nietzsche

 

 

Friedrich Nietzsche

Friedrich Nietzsche heeft veel invloed gehad op het hedendaagse denken, met name in de antropologie, de filosofie en de theologie. Ik wil het in dit korte essay hebben over de oorsprong van de moraal volgens Nietzsche. Zijn visie daarop staat geheel in verband met zijn hypothese dat de mens voortgedreven wordt door de wil tot macht.

 

Een afwijkende visie

Nietzsche heeft een heel andere opvatting dan wat gangbaar is in zijn tijd over de moraal en de oorsprong daarvan. Een visie die hij duidelijk tegenspreekt is de visie van de Engelse psychologen in zijn tijd. Deze meenden dat onzelfzuchtige handelingen oorspronkelijk werden geprezen door degenen aan wie zij betoond werden en voor wie ze dus nuttig waren, en dat nadat die lofprijzing vergeten was de onzelfzuchtige handelingen een doel op zichzelf werden omdat ze als iets goeds werden gevoeld.

 

Nietzsche denkt daar anders over; veeleer zijn het die ‘goeden’ zélf geweest, dat wil zeggen de voornamen, machtigen, hoger geplaatsten, die zichzelf en hun handelingen als goed (namelijk als van de eerste rang) ondervonden, in tegenstelling tot al het laag gezinde. Zij hebben het recht voor zich opgeëist waarden te scheppen en voor die waarden namen aan te munten. Hij stelt dat vroeger goed niets anders betekende dan voornaam, en slecht is het normale volk. Na het verval van de adel bleven  die woorden echter voortbestaan om de nobele van ziel aan te duiden.

 

Wraak op de aristocraten

Dit geldt ook in een religieus kastensysteem: rein is iemand die gezond leeft, met het eigen gemak als doel, maar dat werd al snel verinnerlijkt; en als doel op zich gemaakt. Toen kwam er de tegenstelling tussen de ridderlijk-aristocratischen en de priesterklasse. De ridderlijk-aristocratischen waren gebaseerd op een machtige lichamelijkheid, wat om instandhouding te garanderen in het algemeen alles wat een sterk, vrij, blijmoedig handelen insluit bevatte, zoals oorlogen, jacht, dans, toernooien enz. De priesters waren het tegenovergestelde, en de boosaardigste vijanden, omdat ze de meest machtelozen zijn. Uit die machteloosheid wast hun haat, tot de venijnigste spiritualiteit volgens Nietzsche. Nietzsche zegt dat de Joden uit zuiver geestelijke wraak de waarden van hun aristocratische tegenstanders hebben omgekeerd: alleen de ongelukkigen zijn de goeden. Het werktuig van de wraak van de Joden – Jezus – werd aan het kruis geslagen zodat de hele wereld op dit aas kon toehappen. Rome voelde in de Jood iets als de tegennatuurlijkheid zelve, en met het christendom heeft het zich wijd verspreid.

 

De driften, het instinct

Nietzsche wil juist terug naar de voorname, echt goede mens, die ‘het dier in zich’ weer naar de wildernis terug laat gaan zo nu en dan. Je zou kunnen zeggen: de mens moet leven naar zijn instincten. Dat staat dus haaks op wat bijvoorbeeld Paulus zegt. Die zou die instincten noemen: het vlees, de zondige begeerten. In Nietzsche’s opvatting over de moraal zie ik een omver willen werpen van de christelijke moraal, wat hij probeert omdat hij meent dat de christelijke moraal op zich een omverwerping is van hoe de mens eigenlijk is, tegen het eigenlijke menselijke instinct in. De sterke kan niet kwalijk worden genomen dat die zich zo uit. Daarvoor geeft hij het voorbeeld van grote roofvogels en lammetjes… Waarom zou een grote roofvogel slecht zijn als hij doet waar hij instinctief toe gedreven wordt? Zoals Nietzsche de roofvogels laat zeggen: “wij zijn helemaal niet boos op ze, op die goede lammetjes, we houden zelfs van ze: er is niets zo smakelijk als een zacht lam”. De wil tot macht is de kracht die de mens drijft.

De zwakken zeggen: wij zwakken zijn nu eenmaal zwak, het is goed als we niets doen waarvoor we niet sterk genoeg zijn. Maar het zwak zijn is hetzelfde geworden als het goed zijn, alsof het een verdienste zou zijn.

 

Onmacht tot macht

Nietzsche vind het christendom ‘stinken van de leugens’, al laat hij dat zeggen uit de mond van iemand die zijn betoog heeft aangehoord. De zwakke mens heeft het geloof in een ziel nodig vanuit een instinct tot zelfbehoud en zelfbevestiging, waardoor de ziel tot nu toe het beste geloofsartikel is op aarde. Het Joodse volk, dat op de aarde niets voorstelde, en geen macht had, heeft een religie bedacht waarin het juist het volk van God is. Zij mogen dan op de aarde niets voorstellen, maar voor God zijn ze het uitverkoren volk. God komt op voor de zwakken. Dit zet zich dus universeel door middels het christendom. We stellen nu niets voor, we zijn zwak, maar na de dood hebben wij een eigen rijk, een eeuwige zaligheid. Dan zullen we wel macht hebben. En die voornamen zullen verdoemd zijn. Op deze manier is er sprake van onmacht tot macht, wat de wil tot macht bevestigt. De zwakken op deze aarde die menen niet te voldoen aan de wil tot macht, voldoen daar toch wel aan op een andere manier.

 

Conclusie

Nietzsches visie op de moraal staat haaks op de christelijke visie. Maar ook vanuit de bijbel en de praktijk wordt de wil tot macht bevestigd. Nietzsche veronderstelt dat de mens eerst sterk was, en dat vooral door het jodendom en het christendom de mens zwak werd (en was), maar roept op om juist weer sterk te zijn omdat de zwakheid niet zou zijn naar de menselijke natuur.

De bijbelse visie is echter juist anders; eerst was de mens een moreel goed wezen, maar door de zonde werd de mens gedreven door het ‘eigen vlees’, door de zondige natuur. De Joden en de christenen hebben echter altijd gestreefd naar de eigenlijke mens, en dat is de mens in de paradijssituatie. Er zal wel veel kritiek zijn op Nietzsche, van diverse aard. De hypothese van Nietzsche om de wil tot macht te rechtvaardigen is niet geldig wanneer er wordt gelooft in de wil tot macht door de zonde, als de wil tot macht werkzaam is in de mens wanneer juist de begeerten van een mens niet oorspronkelijk zijn.

 

 

 

 

Geraadpleegde literatuur

 

Friedrich Nietzsche, Genealogie der moraal, (Amsterdam 1980) (oorspronkelijke titel: Zur Genealogie der Moral, eine Streitschrift, 1887)

 

Prof.dr. P.H.A.I. Jonkers e.a., Geschiedenis van de wijsbegeerte 3, (Kampen 1990)

 

S. van Geelen, Zarathustra’s leer van een nieuwe moraal, (Utrecht 199?)